Een durrepie an de Waol

Heel lang geleden maakten de mensen hun kleding van dierenvellen. Maar al heel gauw ontdekte iemand dat je van vezels van planten draadjes kunt maken. Die draadjes kun je in elkaar draaien tot garen. Met deze garens kan de wever dan op zijn weefgetouw doek weven. Van dit doek kunnen dan kleren worden gemaakt.
Hieronder volgt een beschrijving van het vergeten proces, en de vergeten werkwoorden plokken, repelen, roten, braken, zwingelen, hekelen.

Het Vlas.


Foto 1 en 2.

Als het lente wordt halen de boer en de knecht de mest uit de stal, laden hem op de kar en brengen hem naar het land. De mest werd op het land op steeds gelijke afstanden neergelegd. Op die manier was het gemakkelijker om hem gelijkmatig te verdelen. De vlasplant verlangt niet te veel bemesting. Matig vette grond geeft de beste resultaten. De ploeg was van het éénscharige type. Omstreeks 1800 werd in de buurt van München de ploegschaar uitgevonden, die de aarde niet alleen opensneed maar ook ondersteboven legde. Voor de nieuwe ploeg kwam het Belgisch-Brabantse trekpaard te staan. De naam van het paard, “d’n Broabender” en men ging nu over op de ploeg die door het paard werd getrokken.

 

Foto 3.

Begin april gaat de boer het vlaszaad (ook wel lijnzaad genoemd) op de akker zaaien. Vroeger zei men dat het op de honderdste dag van het jaar moest gebeuren. De grond waarin het vlaszaad gezaaid gaat worden moet zo egaal en fijn mogelijk zijn. Vlaszaad is erg klein en zou heel ongelijk en te diep tussen de grote kluiten grond terechtkomen. Na het eggen met de grote eg die door het paard wordt getrokken, gaat de boer nog eens over het veld met een grove, houten hark om de kluitjes grond zo klein mogelijk te maken.

 

Foto 4.
Veel werkzaamheden op de boerderij steunden op oeroude tradities die van generatie op generatie werden doorgegeven. Men had in de loop van de eeuwen ontdekt dat op deze manier de beste resultaten behaald konden worden. Bij vlas speelde het getal honderd een grote rol. Een oude spreuk zei: op de honderdste dag in de aarde, honderd uren onder de aarde en nog honderd dagen op de aarde. (De honderdste dag valt in een normaal jaar op 10 april, na honderd uren (= drie tot 4 dagen) zijn de plantjes zichtbaar en de oogst van het vlas zal dan einde juli zijn). Vlas werd hoofdzakelijk verbouwd om in de eigen behoefte aan linnen te kunnen voldoen. Voor een gezin met twee kleine kinderen was een oppervlakte van 40 x 50 meter voldoende. (ter vergelijking: een voetbalveld is 105 meter lang en 70 meter breed). De opbrengst bedroeg dan ongeveer 600 kilogram vlas.

Foto 5.
Vlaszaad of lijnzaad is klein en glad. Na het zaaien gaat de knecht met een kleine eg achter de boer aan om het zaad met een dun laagje aarde te bedekken. Daarna gaan de boer en de boerin, de knecht en de meid in ganzenpas achter elkaar aan over het veld en trappen de aarde aan. Een pletrol, getrokken door een paard, zou veel sneller resultaat opleveren. De zware benen van het paard zouden echter diepe sporen achterlaten. Het bleef daarom hand-, of in dit geval, voetenwerk.

Foto 6.
Tegelijk met het vlas schieten ook onkruiden op, voornamelijk melganzevoet, perzikkruid en muur. Om te zorgen dat zij niet gaan overwoekeren moeten ze worden verwijderd. Dit gebeurt met de hand. De boerin kruipt, samen met de meid en een daghulp over het veld. Zij dragen hierbij geen klompen want die zouden de tere vlasplantjes los kunnen woelen. Om de kleding enigszins te beschermen hebben zij een stuk van een baalzak voorgeknoopt. Na het wieden ziet het vlasveld er troosteloos uit. Alle plantjes liggen plat. De vlasplant is echter zo taai dat zij na enkele dagen toch weer overeind staat.

 

  

Foto 7.
In juni komen er kleine lichtblauwe bloempjes aan de vlasstengels. Vlas bloeit heel kort, ’s morgens vroeg gaan de bloempjes open en tegen de middag vallen de blaadjes alweer af.
De bloei van het vlas duurt een paar weken. Elke morgen opnieuw is dan een lichtblauw golvende zee van bloempjes te zien.

Foto 8.
Als het vlas rijp is, dit is ongeveer na 100 dagen, zijn in plaats van de bloempjes kleine bolletjes aan de stengels gekomen. In deze bolletjes zitten de nieuwe zaadjes. Het vlas heeft dan een bruine kleur gekregen. Vlas wordt met wortel en al geoogst. Het werd vroeger met de hand uit de grond getrokken (in Rezoord zij men plokken). Bij het maaien van het vlas zou het onderste stukje van de stengel verloren gaan. Ook in dit laatste stukje stengel zitten vezels. De vlasoogst gebeurt nu machinaal, maar nog altijd worden de planten met wortel en al geoogst.

Foto 9.
Na het oogsten wordt het vals met roggestro in bossen bij elkaar gebonden. Als men bij het binden vlas zou gebruiken zouden de zaadbollen van de stengels verloren kunnen gaan. De bossen worden in schoven op het veld gezet om ze door de wind te laten drogen. Na enkele weken, afhankelijk van het weer, is het vals droog genoeg. Het wordt op een kar geladen en op de boerderij in de schuur opgeslagen voor volgende bewerkingen.

Foto 10.
De eerste bewerking die het vlas nu moet ondergaan is het repelen. Hierbij wordt het in kleine bosjes door een grove kam getrokken.  Bij deze bewerking vallen de droge zaadbollen van de stengel. Dit tamelijk zware werk werd meestal door vrouwen gedaan. Na het repelen moeten de bossen opnieuw met roggestro worden gebonden.

Foto 11.
Na het repelen worden de zaadbollen verzameld. In de tijd dat het vlas in de root ligt kan er in de schuur gedorst worden.  Opa en de knecht slaan met de dorsvlegels het vlaszaad uit de zaadbolletjes. Met een wan wordt het kaf van het zaad gescheiden. Het zaad wordt heel zorgvuldig in een “Kaar” verzameld. Een gedeelte van het zaad wordt bewaard als zaaigoed voor het volgende jaar, de rest wordt later naar de olieslagmolen gebracht om er lijnolie van te maken. De schilletjes van de zaden worden daarna samengeperst tot lijnkoeken, die dan weer aan het vee worden gevoerd. De opbrengst aan zaadbollen bedraagt ongeveer 20% van de totale vlasoogst = 120 kg. De helft (60 kg) bestaat uit zaad en de rest (60 kg) uit kaf. Vlaszaad bevat 37% olie.

Foto 12.
Roten van het vlas (roten betekend rotten). De rotting van een plant gebeurt in twee delen. Eerst worden de zachte delen van de plant aangetast en daarna komen de hardere delen aan de beurt. Bij het roten wordt het proces na de eerste rotting beëindigd. De ring met vezels, dicht onder bij de bast, is dan los komen te liggen van de harde, houtachtige kern van de plant. Het roten gebeurde in stilstaand water in rootbakken en later ook in warmwaterroterijen. De bossen vlas werden onder water tot een mijt (stapel) opgebouwd. Om te zorgen dat alles goed onder water bleef werden boven op de bossen stukken hout of stenen gelegd.

Foto 13.
Een normale waterroting duurt precies drie weken. Proefondervindelijk was in de loop van de eeuwen vastgesteld dat het rottingsproces na precies één en twintig dagen en nachten zo ver gevorderd was dat de ring van vezels los was gekomen van de binnenkern. Dit was het moment om het vlas uit het water te halen. De geur van rotting is erg penetrant. Roten werd ook wel op een grasveld gedaan. Men sprak dan van “dauwroten”, omdat de rotting gebeurde door de dauw die elke nacht het vals nat maakte. Roten gebeurt nu, in verband met de grote stankoverlast en andere milieuverontreiniging, in grote hallen, waar het vlas met chemische middelen wordt behandeld. De roting verloopt daardoor ook veel sneller.

Foto 14.
Het natte vlas werd op een vlasveld te drogen gelegd. Dit grasveld was eerst door een paard “kortgeschoren”. De korte grasstengeltjes houden het vlas precies zo ver van de grond dat de wind er onderdoor kan spelen. Af en toe moest het vlas toch nog omgekeerd worden om het droogproces te versnellen. Daarna werd het met vers roggestro weer gebonden en in de schuur opgeslagen.

Foto 15.
De vezels moeten nu worden losgemaakt van de houtachtige kern van de stengel. Deze bewerking heet braken (=breken). Vergelijk: paard - peerd, haard - heerd). De boer graaft hiervoor een kuil. In deze kuil wordt een vuur aangelegd. Op het laatst wordt dit vuur gestookt met turf die lang na blijft gloeien. Op een paar houten staken wordt het vlas boven het smeulende vuur uitgespreid. Een oudere, zeer ervaren vrouw houdt in de gaten dat de stengels goed warm worden, maar niet verbranden.

Foto 16.
Als men het vlas gaat braken is het al eind september of begin oktober. De dagen worden al korter. Bij dit werk komen meisjes uit de buurt helpen. Op de braak worden de houtdelen van de plant meerdere keren tussen de openstaande balken van de braak gebroken. De vezels zijn zo buigzaam dat zij niet breken. De gebraakte bosjes vlas worden in elkaar gedraaid en in een zak bewaard. Na het braken zijn er twee producten ontstaan: het zaad en de vezels. Nu is te zien hoe groot de oogst is. Dit is een reden om een, zij het bescheiden, feest te vieren. Deze bijeenkomsten op de boerderij werden “spinningen” genoemd. Ook de avonden waarop de garens werden gesponnen werden wel zo genoemd. De jongens uit de buurt kwamen ook graag naar de Spinningen. De boerin trakteerde dan op rijstepap. Daarna kwam de muzikant met zijn trekharmonica en kon er gedanst worden. Even na tien uur was het feest al weer voorbij.

Foto 17.
Bij het braken was het grootste gedeelte van de gebroken houtachtige stengel al tussen de vezels uit gevallen. Om ook de overige houtdeeltjes te verwijderen legt de meid telkens een klein bosje vezels over de zwingelplank. Met de zwingel of het zogenaamde “zwaard” maakt zij dan een slaande beweging langs het bosje vlas en slaat op deze manier de houtrestjes uit de vezels. Om alle houtdeeltjes te verwijderen werd het vals daarna ook nog met een kleine ijzeren kam gekamd.

Foto 18.
De hekel bestaat uit een houten blok waarin een aantal ijzeren pennen bevestigd is. Hij wordt onderscheiden in een grove, middel en fijne hekel. De boerin neemt telkens een klein bosje vlas en slaat dat dan over de hekel. Op die manier kamt zij het vlas uit. De lange vezels blijven in haar hand achter, de kortere vezels in de hekel. Als de ene kant gehekeld is draait zij het bosje vlas om en hekelt de nadere kant. Van tijd tot tijd maakt zij de hekel schoon. De korte vezels die in de hekel achterblijven worden “werk” genoemd. Het gehekelde vlas wordt door de boerin zorgvuldig samengebonden tot zogenaamde “popjes”.

Foto 19.
Bij het spinnen worden de vezels in elkaar gedraaid tot een draad. Van de lange vezels kan een zeer gelijkmatige dunne draad worden gesponnen. Het “werk” wordt ook gesponnen. Deze draad is niet zo gelijkmatig van dikte. Om één streng garen te spinnen moest twee avonden gewerkt worden. De avonden duurden wel niet zo lang als nu. Na het avondeten was er nog ongeveer twee tot twee en een half uur, tot het tijd werd om naar bed te gaan.
Ongeveer 10% van de vlasoogst bestaat uit het zogenaamde “vlaslint”. Bij de oogst op deze boerderij was dit ongeveer 60 kilo. Dit leverde 40 kilo geheld lint, of vlessen op en 20 kilo hekelsnuit (= werk) De 40 kilo vlessen leverden weer 36 kilo aan garens op en de 20 kilo werk nog eens 16 kilo garens.

Foto 20.
De gesponnen garens hebben een niet erg mooie vaalbruine kleur. De bruine kleurstof lost langzaam in water op. Hiervoor worden de garens enkele dagen in een kuip met water gelegd. Daarna worden ze aan twee bonenstaken over twee stoelen te drogen gehangen.

Foto 21.
De huiswever werkte aan een getouw met een schietspoel.. Deze spoel werd vanuit een lade in het getouw tussen de kettingdraden door “geschoten”. Op die manier kon de wever doek weven met een breedte van zeven “vierdel” (= 1 ¾ el = 119 cm). Op oudere weefgetouwen, die deze inrichting nog niet kenden, werd de spoel tussen de kettingdraden door gegooid. Deze spoelen werden smijtspoelen genoemd. Omdat de spoel aan de andere kant van het weefsel weer moest worden opgevangen was het voor de wever met een smijtspoel niet mogelijk om breder dan 90 centimeter te weven. Bij een breedte van 119 centimeter moest het getouw met 100 tot 1800 kettingdraden bespannen worden. De ketting, of de schering werd op een rol, boom genoemd, aan de achterkant van het getouw opgerold. De kettingdraden werden dan door hevels van schachten gevoerd en dan door het riet. Hoe belangrijk het weven was blijkt wel uit het grote aantal, nog bestaande spreekwoorden:
-De eindjes aan elkaar knopen (= met moeite rond komen)
-Er zit schot in (schot = inslag)
-Dat is schering en inslag
-Op de keper beschouwd (keper is een speciaal weefsel dat heel secuur gemaakt moet worden)
-De draad kwijt zijn
-Tegen de draad in
-Alles over één kam scheren (de kam is een onderdeel van het weefgetouw).

Foto 22.
Het geweven linnen heeft een grijs-grauwe kleur gekregen. Om het helemaal wit te krijgen werd het ’s nachts in een kuip met water gedaan. Aan dit water werd as uit het bakhuisje toegevoegd. ’s Nachts werden de pigmenten uit de garens door de as losgemaakt, overdag loste het zonlicht deze dan volledig op. Na enkele weken krijgt het linnen zijn mooie witte kleur.

Foto 23.
Met gepaste trots kon de boerin na al het werk dan eindelijk de nieuwe voorraad linnen in de kast leggen. In de loop van het jaar werd hieruit geput als het nodig was.
In de wintermaanden werden de bedden en de hemden wel verschoond, maar niet gewassen. De voorraad aan linnengoed moest daarom erg groot zijn.

 

 

 

 

 

Bron: www.hephorst.nl